Biographie

René Carcan
René Carcan

René Carcan

Brussel, 25 februari 1925 – 19 januari 1993

 

Belgische etser en aquarellist. Eerst volgt hij een opleiding als beeldhouwer aan de Academie van Sint-Joost-ten-Node bij  Gustave Jacobs en dan, van 1941 tot 1946, een schildersopleiding aan de Academie van Brussel bij Jacques Maes en Léon Devos.

Vanaf 1952 exposeert hij zijn tekeningen in Brussel. Met een beurs van de UNESCO reist hij naar Italië, van Firenze tot Rome, gefascineerd als hij is door de wereld van de Etrusken en vooral door het chromatisme en vloeiende ritme van hun funeraire fresco’s. Toscane en Etrurië worden daarna een van zijn belangrijkste inspiratiebronnen. Terug in Brussel begint hij te etsen, op aanraden van zijn vriend, historicus en dichter Philippe Roberts-Jones. Van 1960 tot 1965 is hij te vinden in het Parijse atelier van Johnny Friedländer, die hem inwijdt in het kleurenetsen. In 1963 is hij een van de oprichters van de groep Cap d’Encre, in het gezelschap van ervaren etsers zoals Pierre Alechinsky, Gabriel Belgeonne, Francis De Bolle, Lismonde, Marc Laffineur en Gustave Marchoul. Cap d’Encre produceert 5 Portfolio’s tot in 1970.
In die periode was zijn faam als etser ook al buiten onze grenzen gevestigd, want hij exposeert in Parijs, in de Verenigde Staten, in Tokio, in Lubljana of in Krakau.

Eind de jaren 60 verlaat hij de stad en koopt hij een fermette in Huldenberg, Vlaams-Brabant, waar hij zich tijdens de weekends gaat herbronnen, en er dromerige landschappen, half Toscaans, half Breugeliaans, in zijn kunst opduiken, waarin bomen machtige koningen zijn die het hof worden gemaakt door hun vazallen, de zonnebloemen en de distels. De vier elementen vinden bij Carcan een nieuwe symbolische interpretatie waarin de mens af en toe schuchter opduikt, alsof hij bang is deze sublieme paradijselijke harmonie te verstoren. Deze scherpe tekenaar wordt ook een gedurfde colorist, met een voorliefde voor zonnig rood en oranje, soms besprenkeld met spatten citroengeel, en voor watergroen, azuurblauw en natuurlijk de Siena kleuren; warme tinten dus om een vruchtbare aarde te bezingen die achtereenvolgens baadt in lente- of zomerlicht.

Hij was een vaardige etser – in staat om rechtstreeks in de koperplaat te etsen – en hij was ook zeer productief want zijn twee complete catalogi bevatten iets meer dan 800 gravures. Als veelzijdige artiest, altijd aangetrokken door het experiment, doet hij ook aan beeldhouwen, ontwerpt hij juwelen of illustreert hij werk van bevriende dichters zoals André Sempoux, Jean Orizet en Philippe Roberts-Jones.

De jaren 70 worden een van de meest vruchtbare van zijn carrière, hij exposeert zijn gravures bijna permanent overal ter wereld: de Verenigde Staten, Canada, Australië, Zuid-Korea, Duitsland, Noorwegen, Zweden, Nederland, Italië, Frankrijk en het Groot-Hertogdom Luxemburg. Begin jaren ’80 ‘verovert’ hij West-Duitsland met meerdere tentoonstellingen in een twintigtal grote steden.

Eind jaren ’80 begint hij eraan te denken – hij wordt dan 65 en heeft geen nakomelingen – zijn artistieke erfenis voor het nageslacht te bewaren. Zo wordt op 1 januari 1990 de vzw Fondation René Carcan opgericht in zijn atelier aan de Koningveldstraat 122-124 te Etterbeek. Het doel van de vzw is ‘het bevorderen van de graveerkunst’ en ‘daarom heeft de vereniging ook als doel cursussen, tentoonstellingen te organiseren en etsen uit te geven’. Zo leidt het atelier elk jaar ook twee leerling-etsers op, die hun academiejaar bekroond zien met een tentoonstelling van hun werken. Vanaf nu gaat de stichting zich opdelen, in twee aanpalende huizen, in een atelierruimte en een tentoonstellingsruimte.  Deze laatste ontvangt de grootste internationale etsers van de 20ste eeuw. Ere wie ere toekomt, het is zijn oude leermeester Johnny Friedländer die de Fondation René Carcan op 20 oktober 1989, opent, gevolgd door – onder andere – de Braziliaan Arthus Piza, de Israëlier Tuvia Beeri of  nog de Japanner Hasegawa, de Spanjaard Antoni Clavé (1991), de Oostenrijker Hundertwasser (1992), de Italiaan Avati (1992) en de Duitser Horst Janssen (1993).

René Carcan overlijdt begin 1993. Ricardo De Bernardi, zijn Duitse galeriehouder, wordt de algemene legataris van zijn werk. De Fondation zet haar werking voort, maar met minder overtuiging nu René er niet meer is. In 2001 is er wel nog de tentoonstelling van Lise Brachet, die een van zijn leerlingen was, van de Peruaan Antonio Mãro in 2002, van de Duitser Gerhard Hofmann en Gabriel Belgeonne in 2003 of de Brusselse groep Raskas in 2005. In 2006 worden de activiteiten stopgezet en wordt de stichting omgevormd tot de ‘Espace René Carcan’. In 2013 besluit de vzw René Carcan, in samenwerking met de Koning Boudewijnstichting een ‘Internationale Prijs voor Grafische kunsten René Carcan’ te organiseren en vervult op die manier, 20 jaar na zijn overlijden, een van de grote wensen van de kunstenaar.

De werken van René Carcan bevinden zich in vele openbare collecties, zoals de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van Brussel, het Gemeentelijke museum van Elsene en de Koninklijke Bibliotheek van België te Brussel, het ‘Centre de la Gravure et de l’Image imprimée’ in La Louvière, het ‘Cabinet des Estampes et des dessins’ in Luik, het Museum van de UCL (Schenking Serge Goyens de Heusch) in Louvain-la-Neuve, het ‘Musée Royal van Mariemont’ en ‘La Bibliothèque Nationale de France’ in Parijs.